VROUWEN
VREDE
VEILIGHEID
Resolutie 1325 (2000) van de Veiligheidsraad
"Vrouwen
kennen als geen ander de tol die conflicten eisen en zijn vaak ook beter in
staat dan mannen om ze te voorkomen of op te lossen. Al generaties lang treden
vrouwen op als pleitbezorgers voor de vrede, zowel in de huiselijke sfeer als
in de bredere samenleving. Zij hebben een doorslaggevende rol gespeeld dankzij
hun talent bruggen te slaan in plaats van muren op te trekken. Ook zijn zij
onvervangbaar gebleken bij het in stand houden van het maatschappelijk bestel
wanneer gemeenschappen verscheurd raakten
De Veiligheidsraad heeft dit jaar in een verklaring naar aanleiding van de Internationale
Vrouwendag erkend dat vooral vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn van de
gevolgen van gewapende conflicten. U hebt ingezien dat vrede onlosmakelijk verbonden
is met de gelijkwaardigheid van man en vrouw. En u hebt verklaard dat de handhaving
en bevordering van vrede en veiligheid de actieve deelname vereisen van vrouwen,
op voet van gelijkheid met mannen. Ik wil u nu vragen alle middelen die u ter
beschikking staan aan te wenden om deze verklaring om te zetten in krachtdadig
optreden. De centrale doelstelling daarbij is dat vrouwen en meisjes in conflictsituaties
bescherming krijgen, dat plegers van gewelddaden jegens vrouwen in conflictsituaties
worden vervolgd en dat vrouwen op voet van gelijkheid de plaats innemen die
hen toekomt bij de besluitvorming op het gebied van vrede en veiligheid."
Kofi
A. Annan, Secretaris-Generaal van de VN
Verklaring voor de Veiligheidsraad
24 oktober 2000
Voor de eerste
maal heeft de Veiligheidsraad zich op 24 en 25 oktober 2000 in New York gebogen
over het vraagstuk van vrouwen in relatie tot vrede en veiligheid. Men mag spreken
van een historische ontwikkeling. De discussie betrof de behoeften van vrouwen
bij VN-vredesoperaties en ook de bredere kwestie van de rol van vrouwen bij
het consolideren en handhaven van vrede. Veel sprekers benadrukten het feit
dat vrouwen moeten worden betrokken bij alle vredesinitiatieven en hebben met
name opgeroepen tot een nauwere betrokkenheid van vrouwen bij de besluitvorming
op dat gebied.
Op 31 oktober 2000 aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem resolutie 1325 (2000)
inzake vrouwen, vrede en veiligheid, die iedereen die belast is met het voeren
van vredesonderhandelingen en met het toezicht op de naleving van vredesakkoorden
oproept terdege rekening te houden met de gelijkwaardigheid van de seksen en
ook zorgvuldig rekening te houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en
meisjes bij hun terugkeer en vestiging in voormalige conflictgebieden, evenals
bij hun reïntegratie en bij hersteloperaties. De aanvaarding van deze historische
resolutie geldt als een belangrijke stap in de richting van de erkenning van
de rol van vrouwen bij het beheersen van conflicten, vredehandhaving en het
consolideren van de vrede na conflicten. Hier volgt de integrale tekst van de
resolutie van de Veiligheidsraad.
Resolutie
1325 (2000)
Aanvaard door de Veiligheidsraad tijdens zijn 4213de zitting op 31 oktober
2000
De Veiligheidsraad:
Verwijzend naar zijn resoluties 1261 (1999) van 25 augustus 1999, 1265
(1999) van 17 september 1999, 1296 (2000) van 19 april 2000 en 1314 (2000) van
11 augustus 2000, naar de verklaringen van zijn Voorzitter dienaangaande, en
ook verwijzend naar de persverklaring van zijn Voorzitter ter gelegenheid van
de Dag van de Verenigde Naties voor de rechten van vrouwen en de internationale
vrede (de "Internationale Vrouwendag") op 8 maart 2000 (SC/6816),
Tevens verwijzend naar de in de Verklaring en het Actieprogramma van
Beijing (A/52/231) neergelegde verplichtingen, evenals de verbintenissen vervat
in het slotdocument van de 23ste Bijzondere Zitting van de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties over het thema Vrouwen 2000: seksegelijkheid,
ontwikkeling en vrede voor de 21ste eeuw (A/S-23/10/Rev.1), meer in het
bijzonder de verbintenissen betreffende vrouwen en gewapende conflicten,
Zich rekenschap gevend van de doelstellingen en beginselen van het Handvest
van de Verenigde Naties en van de hoofdverantwoordelijkheid die het Handvest
de Veiligheidsraad toekent voor de handhaving van de internationale vrede en
veiligheid,
Uitdrukking gevend aan zijn zorg om het feit dat burgers, in het bijzonder
vrouwen en kinderen, de overgrote meerderheid uitmaken van hen die de nadelige
gevolgen ondervinden van gewapende conflicten, onder meer als vluchtelingen
en ontheemden, en dat dezen steeds vaker het doelwit vormen van strijders en
gewapende onderdelen, en onder erkenning van de daaruit voortspruitende impact
op duurzame vrede en verzoening,
Opnieuw bevestigend de belangrijke rol van vrouwen bij het voorkomen
en oplossen van conflicten en bij de opbouw van vrede, en nadruk leggend op
het belang van hun deelname aan en volledige betrokkenheid, op voet van gelijkheid,
bij alle inspanningen ter handhaving en bevordering van vrede en veiligheid,
en op de noodzaak om hun rol te verbreden in de besluitvorming rond het voorkomen
en oplossen van conflicten,
Voorts herbevestigend de noodzaak van de volledige tenuitvoerlegging van
de regels van humanitair recht en van de mensenrechten die gedurende en na afloop
van conflicten de rechten van vrouwen en meisjes beschermen,
Benadrukkend de noodzaak dat alle partijen bij programma's inzake mijnopruiming
en voorlichting rond mijnen rekening houden met de bijzondere behoeften van
vrouwen en meisjes,
Erkennend de dringende noodzaak van het aanvaarden van het 'genderperspectief'
als vanzelfsprekend aspect van vredesoperaties, en in dat verband kennisnemend
van de "Verklaring van Windhoek" en het "Actieplan van Namibië"
betreffende het genderperspectief als vast aandachtspunt in multidimensionale
operaties ter ondersteuning van de vrede (S/2000/693),
Tevens erkennend het belang van de aanbeveling vervat in de verklaring
die zijn Voorzitter op 8 maart 2000 aflegde voor de pers betreffende de gerichte
opleiding op het gebied van de bescherming, bijzondere behoeften en mensenrechten
van vrouwen en kinderen in conflictsituaties van al het personeel betrokken
bij vredesoperaties,
Erkennend dat begrip van de gevolgen van gewapende conflicten op vrouwen
en meisjes, en doeltreffend institutioneel optreden om hun bescherming en volledige
deelname aan vredesprocessen te waarborgen aanzienlijk kan bijdragen tot de
handhaving en bevordering van de internationale vrede en veiligheid,
Wijzend op de noodzaak van nog degelijker gegevensbestanden over de impact
van gewapende conflicten op vrouwen en meisjes,
1. Roept Lid-Staten met klem op zorg te dragen voor een grotere vertegenwoordiging
van vrouwen op alle besluitvormingsniveaus binnen nationale, regionale en internationale
instellingen en organismen die zijn belast met het voorkomen, beheersen en beslechten
van conflicten;
2. Spoort de Secretaris-Generaal aan tot uitvoering van zijn strategisch
actieplan (A/49/587) betreffende de vergrote deelname van vrouwen op besluitvormingsniveaus
rond conflictoplossing en vredesprocessen;
3. Roept met klem de Secretaris-Generaal op meer vrouwen te benoemen
als speciale vertegenwoordigers en gezanten die namens hem goede diensten aanbieden
en roept Lid-Staten op in dat licht kandidaten voor te dragen bij de Secretaris-Generaal
voor opname in een geregeld geactualiseerde, centrale lijst van gegadigden;
4. Roept voorts met klem de Secretaris-Generaal op de rol en bijdrage
van vrouwen in veldoperaties van de Verenigde Naties te verbreden, in het bijzonder
in de gelederen van de militaire waarnemers, civiele politiediensten en personeel
belast met mensenrechten en humanitaire acties;
5. Geeft uitdrukking aan zijn bereidheid om het genderperspectief en
vaste plaats te geven in vredesoperaties, en roept de Secretaris-Generaal met
klem op om waar van toepassing seksegerelateerde aandachtspunten op te nemen
in veldoperaties;
6. Verzoekt de Secretaris-Generaal de Lid-Staten te voorzien van richtlijnen
en materiaal voor opleidingen inzake de bescherming, de rechten en de bijzondere
behoeften van vrouwen, evenals voor scholing betreffende het belang van de betrokkenheid
van vrouwen bij maatregelen voor de handhaving en opbouw van vrede, nodigt Lid-Staten
uit deze elementen en ook cursussen rond HIV/AIDS-voorlichting
op te nemen in hun nationale opleidingsprogramma's voor militair en civiel politiepersoneel,
voorafgaand aan missies, en verzoekt de Secretaris-Generaal voorts ervoor in
te staan dat ook het burgerpersoneel bij vredesoperaties een soortgelijke opleiding
ontvangt;
7. Roept Lid-Staten met klem op hun vrijwillige financiële, technische
en logistieke ondersteuning van opleidingen rond seksegerelateerde kwesties
te vergroten, met inbegrip van dergelijke opleidingen verzorgd door fondsen
en programma's zoals het VN-Vrouwenfonds (UNIFEM), het VN-Kinderfonds (UNICEF)
en het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor Vluchtelingen (UNHCR) en andere
relevante organen;
8. Roept alle betrokkenen op bij onderhandelingen over en tenuitvoerlegging
van vredesafspraken een genderperspectief te kiezen, met bijzondere aandacht
voor onder meer:
(a) de speciale behoeften van vrouwen en meisjes bij terugkeer en vestiging
in hun vaderland, bij hun reïntegratie en bij wederopbouwprojecten na conflicten;
(b) maatregelen ter ondersteuning van plaatselijke vredesinitiatieven van vrouwen
en autochtone processen voor het oplossen van conflicten, en voor maatregelen
om vrouwen te betrekken bij andere mechanismen bij de implementatie van vredesakkoorden;
(c) maatregelen die instaan voor de bescherming en naleving van de mensenrechten
van vrouwen en meisjes, in het bijzonder voor zover deze de grondwet, het kiesstelsel,
politie en justitie aangaan;
9. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om zich
volledig te voegen naar de internationaal rechtsregels die van toepassing zijn
op de rechten en de bescherming van vrouwen en meisjes, vooral als leden van
de burgerbevolking, in het bijzonder de verplichtingen die op hen van toepassing
zijn krachtens de Geneefse Verdragen van 1949 (en de Aanvullende Procollen daarbij
van 1977), het Vluchtelingenverdrag van 1951 (en het Protocol daarbij van 1967),
het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen
van 1979 (en het Facultatief Protocol daarbij van 1999) en het VN-Verdrag inzake
de rechten van het kind van 1989 (en de twee Facultatieve Protocollen daarbij
van 25 mei 2000), en om zich bewust te zijn van de bepalingen dienaangaande
zoals verwoord in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;
10. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om speciale
maatregelen te treffen ter bescherming van vrouwen en meisjes tegen seksegerelateerd
geweld, in het bijzonder verkrachting en andere vormen van seksueel geweld,
en tegen alle andere vormen van geweld in het kader van gewapende conflicten;
11. Benadrukt de verantwoordelijkheid van alle Staten om een einde te
stellen aan straffeloosheid en over te gaan tot vervolging van verdachten van
volkenmoord, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, waaronder misdaden
in de vorm van seksueel en ander geweld tegen vrouwen en meisjes, en wijst nadrukkelijk
op de noodzaak om dergelijke misdaden voor zover mogelijk uit te sluiten van
amnestiemaatregelen;
12. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om het
civiele en humanitaire karakter van vluchtelingenkampen en -nederzettingen te
eerbiedigen en om rekening te houden met de bijzondere behoeften van vrouwen
en meisjes, ook bij de opzet en inrichting van die plaatsen, en herinnert in
dat opzicht aan zijn resolutie 1208 (1998) van 19 november 1998 en 1296 (2000)
van 19 april 2000;
13. Spoort iedereen aan die betrokken is bij programma's voor ontwapening,
demobilisatie en reïntegratie om de verschillende behoeften van mannelijke
en vrouwelijke oud-strijders ter harte te nemen, evenals die van de personen
die van hen afhankelijk zijn;
14. Bevestigt opnieuw zijn bereidheid om wanneer maatregelen worden getroffen
krachtens Artikel 41 van het Handvest van de Verenigde Naties, de mogelijke
impact van die maatregelen op de burgerbevolking te overwegen en rekening te
houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en meisjes, teneinde op humanitaire
gronden uitzonderingssituaties toe te staan;
15. Geeft uitdrukking aan zijn bereidheid ervoor in te staan dat missies
van de Veiligheidsraad rekening houden met seksegerelateerde kwesties en de
rechten van vrouwen, onder meer via overleg met lokale en internationale vrouwenorganisaties;
16. Nodigt de Secretaris-Generaal uit onderzoek te laten verrichten naar
de impact van gewapende conflicten op vrouwen en meisjes, naar de rol van vrouwen
in vredesprocessen en naar de seksegerelateerde aspecten in vredesprocessen
en conflictoplossing, en nodigt hem voorts uit de Veiligheidsraad een verslag
te presenteren met de resultaten van die studie en die voorts beschikbaar te
stellen aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties;
17. Verzoekt de Secretaris-Generaal om, waar aangewezen, in zijn verslaglegging
aan de Veiligheidsraad melding te maken van de voortgang bij het opnemen van
seksegerelateerde aangelegenheden in het standaardbeleid van vredesmissies en
van alle andere aanverwante aspecten in verband met vrouwen en meisjes;
18. Besluit deze aangelegenheid actief en op de voet te volgen.
Bezoek voor nadere informatie www.un.org/womenwatch